Onderzoek

SUD-daling in het lab

Maastricht 2026, exploratief en niet-klinisch (N=33): IEMT en EMDR statistisch niet verschillend, effect hield na één week.

Drie staven SUD-daling: IEMT min 43, EMDR min 44, controle min 19 punten; IEMT en EMDR statistisch vergelijkbaar. N=33, niet-klinisch, effect na één week. SUD-daling ≈ gelijk −43−44−19 IEMTEMDRcontrole N=33 · niet-klinisch · effect na 1 week

Van Heugten – van der Kloet, Boonstra, Trouk & Ten Brinke (2026). An Exploratory Comparison of IEMT- versus EMDR-directed Eye Movements on Changes in Emotionality and Distress During Recall of Negative Memories. Journal of Evidencebased Psychotherapies, 26(1), 1-18. DOI: 10.24193/jebp.2026.1.1 — lees het originele artikel

Opzet

Wat het Maastricht-onderzoek precies meet

Het Maastricht-onderzoek is een labvergelijking met drieëndertig deelnemers uit de algemene bevolking. Het is een withinsubjectopzet: iedere deelnemer kreeg alle drie condities — IEMT, EMDR en een controleconditie (twintig minuten in stilte zitten). De drie condities werden gekoppeld aan drie zelfgekozen negatieve herinneringen, geblindeerd over de condities verdeeld. Hoofduitkomst: de SUD-score (Subjective Units of Distress, een visueel-analoge schaal van 0–100 voor ervaren emotionele lading). Metingen vóór de sessie, direct erna, en één week later.

Wat deze opzet wel meet: of een korte IEMT-conditie en een korte EMDR-conditie allebei een grotere SUD-daling geven dan rustig zitten. En of die twee condities onderling verschillen op die meetmaat. Wat deze opzet niet meet: volledige sessie-effecten van het IEMT- of EMDR-protocol, klinische werking bij PTSS of angststoornissen, of de werking van het identiteitswerk dat het techniekframe van IEMT karakteriseert. Het is een rigoureuze vergelijking van het oogbewegingsonderdeel — niet meer en niet minder.

Bevindingen

De getallen, kort

  • SUD-daling IEMT: 43 punten (Cohen’s dz 1,82) — in de wetenschappelijke literatuur als “zeer groot” geclassificeerd.
  • SUD-daling EMDR: 44 punten (Cohen’s dz 1,86) — ook “zeer groot”.
  • SUD-daling controle: 19 punten (Cohen’s dz 0,72) — middelgroot.
  • IEMT en EMDR statistisch niet verschillend op SUD-daling. Beide significant beter dan de controleconditie.
  • Effect behouden bij follow-up één week later — voor beide condities, ook in deze nietklinische populatie.
  • Op de DASS-21-R (een gestandaardiseerde vragenlijst voor stress, angst en depressie) scoorden deelnemers een week later gemiddeld lager op stress (−2,1 punten) en depressieve klachten (−3,0 punten). Voor angst geen significant effect. De auteurs zijn hierover terughoudend: de steekproef zat al in de normale spreiding.

Wat dit voor je werkpraktijk bevestigt

Drie observaties die practitioners herkennen, nu labonderbouwd

Als je in je praktijk met IEMT werkt, zijn er drie dingen die je waarschijnlijk al lang ziet gebeuren. Dit onderzoek bevestigt ze binnen de eigen grenzen van een labopzet — en juist die grenzen maken de bevestiging interessant.

1. Effect binnen één korte werkeenheid is reëel.

Twintig minuten gericht oogbewegingswerk met een negatieve herinnering geeft een meetbare daling in subjectieve lading. Geen opbouwsessie, geen rapportopbouw, geen rituele opening — kort werken op een specifiek doel laat verschuiving zien. Voor wie gewend is aan langere gespreksmodaliteiten kan dit nog steeds contra-intuïtief voelen; voor wie al met IEMT werkt klopt het met wat je tegenkomt.

2. Het verschil met “zomaar zitten” is robuust.

De controleconditie liet óók daling zien (19 punten), wat je zou verwachten: aandacht geven aan een herinnering kalmeert vaak al iets. Maar de daling met IEMT- of EMDR-conditie was meer dan tweemaal zo groot. Wat je doet doet ertoe; het is niet alleen het aanwezig-zijn of de regressie naar het gemiddelde.

3. Het effect blijft staan.

Bij de meting één week later was de daling niet teruggeveerd. In een nietklinische populatie, zonder follow-up-sessies. Voor het werk bij cliënten is dit het anker bij de eerlijke vraag “blijft het werken?” — het onderzoek geeft die vraag een feitelijk antwoord binnen de scope van wat het meet.

Belangrijk: dit alles op een twintigminutenfragment van wat IEMT als methodiek doet. Het zegt iets over de oogbewegingslaag, niet over het identiteitswerk en de patroonlaag waar de methodiek daarnaast op werkt. Voor die lagen is de onderbouwing methodisch, niet experimenteel — en die methodische verankering loopt via Austins eigen lineage (Grove, Andreas) en het UK-Association-canon.

De cliëntvoorkeur

Waarom 60,6 % geblindeerd IEMT verkoos — en wat dat voor je werk betekent

Omdat elke deelnemer alle drie condities onderging zonder te weten watwaswat, konden ze aan het eind hun voorkeur uitspreken zonder de bias van naamsbekendheid. Twintig van de drieëndertig deelnemers (60,6 %) kozen IEMT, negen kozen EMDR (27,3 %), vier hadden geen voorkeur (12,1 %).

De redenen die deelnemers zelf gaven voor hun IEMT-voorkeur (meermaals genoemd):

  • Rustiger, zachter, emotioneler perspectief (10×)
  • Meer inzicht, diepte en synthese door allesomvattend karakter (10×)
  • Oogbewegingen waren prettiger (5×)
  • Geen noodzaak om te praten (4×)
  • Intenser, maar voelde effectiever (4×)
  • Geen hoofdpijn, geen vermoeide ogen (4×)

Voor je werkpraktijk zijn vooral twee daarvan operationeel relevant. Geen noodzaak om te praten is voor veel cliënten de praktische drempelverlaging: mensen die in eerdere gesprekstrajecten al lang en breed verteld hebben wat er speelt, hoeven dat hier niet opnieuw. Voor wie terughoudend is om persoonlijke details met een nieuwe coach te delen is dat een reële opening. Minder lichamelijke bijwerkingen — geen hoofdpijn, minder vermoeide ogen — maken het inzetbaar voor cliënten die binnen een werkdag naar een sessie komen en ‘s middags weer aan de slag moeten.

Wat de voorkeur niet betekent: dat IEMT “beter” is dan EMDR. Op de SUD-meting waren ze statistisch gelijk. De voorkeur gaat over de ervaring — en die ervaring is voor het werk relevant, maar niet hetzelfde als effect.

Wat dit onderzoek niet doet

De beperkingen — en wat dat voor je positionering betekent

De auteurs benoemen de beperkingen expliciet en duidelijk. Voor practitioners zijn ze niet alleen een academische voetnoot maar het anker voor hoe je IEMT eerlijk kunt positioneren — naar cliënten, naar verwijzers, naar opdrachtgevers.

  • Steekproef klein en nietklinisch. N = 33, algemene bevolking, geen diagnose. Dit is exploratief labwerk, geen grootschalig klinisch bewijs.
  • Twintig minuten per conditie. Het volledige IEMT-protocol duurt langer en werkt op meer lagen dan alleen de oogbewegingscomponent. Het onderzoek vergelijkt oogbewegingscondities, niet de hele methodiek.
  • Geen actieve werkgeheugencontroletaak (bijvoorbeeld Tetris). Daardoor kan niet hard uitgesloten worden dat het effect deels door werkgeheugenbelasting in brede zin komt, in plaats van specifiek door de oogbewegingsstructuur.
  • Generaliseerbaarheid naar klinische groepen onduidelijk. PTSS, angststoornissen, depressie — de werking op die populaties is op basis van dit onderzoek niet vast te stellen.
  • Neuro-mechanismen niet gemeten. Wat er in het brein gebeurt dat dit effect verklaart blijft onbeantwoord; de auteurs bevelen EEG- en Mrivervolgonderzoek aan.

Wat dit voor je positionering betekent: het onderzoek onderbouwt IEMT als coachingsanker bij nietklinische werkvraagstukken — zelfbeeld, terugkerende relationele triggers, ingesleten reactiepatronen, lichte traumatrek in stabiele context. Het is geen mandaat voor PTSS-behandeling of klinische diagnostiek; daar blijft de BIG-grond leidend en hoort verwijzing naar BIG-geregistreerde professionals. Eerlijkheid daarover versterkt de geloofwaardigheid — bij cliënten, bij verwijzers, bij jezelf.

De bredere evidence-context: vóór de Maastricht-publicatie was er géén direct IEMT-RCT. Het onderzoeksveld bestond uit indirecte support — meta-analyses van oogbewegingen in emotionele geheugenverwerking, de uitgebreide EMDR-evidence-base (deels overlappend, deels niettransfereerbaar), en kleinere studies over oogbewegingen en aandacht/besluitvorming. De IEMT-canon positioneert zichzelf expliciet als een practice-based profession: methodisch gefundeerd op klinische observaties van practitioners en trainers, niet als afgebakende wetenschappelijke discipline. Het Maastricht-onderzoek verschuift dat niet — IEMT blijft practice-based — maar het voegt een eerste, peerreviewed labanker toe waar voorheen alleen indirect bewijs en praktijkobservatie waren.

Het raamwerk

UK-Association-canon: complement, not replace (aanvullend, niet vervangend)

The Association for IEMT Practitioners — het internationale accreditatieorgaan dat Andrew T. Austin in 2015 oprichtte — formuleert het werkkader zo:

“IEMT practitioners are committed to enhancing well-being without making unwarranted claims about treating medical or psychiatric conditions.”

“IEMT is designed to complement, not replace, conventional treatments.”

Het Maastricht-onderzoek past binnen dit raamwerk. Het laat zien wat de oogbewegingscomponent van IEMT in een experimentele opstelling kan doen, en doet geen uitspraak over wat het niet heeft onderzocht. Voor practitioners is dat de werkbare positie: IEMT inzetten waar het past, doorverwijzen waar het niet past, en eerlijk zijn over het verschil.

Hetzelfde onderzoek, andere bril

Voor cliënten geschreven

Wie dit onderzoek wil delen met een cliënt, een opdrachtgever of een HR-afdeling vindt op iemtcoaching.com een parallelstuk vanuit cliënt- of HR-positie. Twee tabs: één voor HR en leidinggevenden, één voor professionals die zelf met een coach overwegen te werken. Zelfde data, andere ingang.

iemtcoaching.com/onderzoek — cliëntperspectief

Wil je dit zelf leren toepassen?

IEMT leer je niet door over onderzoek te lezen. Een Practitioner-training werkt op vaardigheid in eigen praktijk — met de tijd, oefening, supervisie en feedback die daarbij horen. Hoe ik die training inricht volgt het trainingdna dat ik onder alle werkmodaliteiten draag: veiligheid, vakmanschap, dienstbaarheid en productieve spanning. Geen overclaim, geen superlatieven.

Wie het bredere methodiekbeeld wil lezen, vindt in de hub zes uitwerkende stukken — van definitie tot sessie-ervaring.

Kijk naar trainingen← Terug naar de IEMT-hub

Veelgestelde vragen

Kort beantwoord

Wat meet het Maastricht-onderzoek 2026 over IEMT?

Het Maastricht-onderzoek is een lab-vergelijking met drieëndertig deelnemers uit de algemene bevolking, gerandomiseerd over drie condities (IEMT, EMDR en een controle-conditie van twintig minuten in stilte zitten). Hoofduitkomst is de SUD-score (Subjective Units of Distress) op zelf-gekozen negatieve herinneringen, gemeten voor, direct na en één week na de sessie. Het meet de oogbewegings-component van IEMT, niet het volledige protocol.

Hoe groot is het IEMT-effect in het onderzoek?

SUD-daling van 43 punten voor IEMT (Cohen's dz 1,82, "zeer groot" effect), 44 punten voor EMDR (dz 1,86, ook "zeer groot"), en 19 punten voor de controle-conditie (dz 0,72, middelgroot). IEMT en EMDR zijn statistisch niet van elkaar verschillend; beide significant beter dan controle. Het effect bleef behouden bij een follow-up één week later.

Wat zegt het onderzoek over IEMT vs EMDR?

Op de SUD-meting zijn IEMT en EMDR statistisch gelijk. Geblindeerd over de condities koos 60,6 % van de deelnemers IEMT als voorkeur, 27,3 % koos EMDR en 12,1 % had geen voorkeur. Redenen voor IEMT-voorkeur die meermaals genoemd werden: rustiger en zachter perspectief, meer inzicht en synthese, minder hoofdpijn en vermoeide ogen, geen noodzaak om over de herinnering te praten. De voorkeur gaat over de ervaring, niet over effect.

Wat zijn de beperkingen van dit onderzoek?

Steekproef klein en niet-klinisch (N = 33, algemene bevolking, geen diagnose). Twintig minuten per conditie — het volledige IEMT-protocol duurt langer en werkt op meer lagen. Geen actieve werkgeheugen-controletaak. Generaliseerbaarheid naar PTSS, angststoornissen of depressie kan op basis hiervan niet worden vastgesteld. Neuro-mechanismen niet gemeten; EEG- en MRI-vervolgonderzoek aanbevolen door de auteurs.